Een museum kan geen halve identiteit hebben
Door Yolande Avontroodt,
waarnemend voorzitter van het Bestuursorgaan van het M HKA
De voorbije weken kreeg ik, in gesprekken met mensen uit het veld, opvallend vaak dezelfde vraag: wat is het M HKA straks nog? Niet in termen van bakstenen, vierkante meters of organigrammen, maar in de kern: blijven we een museum, of worden we iets anders?
Het debat over de toekomst van het M HKA wordt vandaag te vaak herleid tot de concrete uitwerking van een projectplan. Dat klinkt zakelijk, beheersbaar, bijna geruststellend: er is een plan, we zullen het uitvoeren, en we evalueren nadien wel. Maar wie het debat ernstig neemt, moet verder teruggaan. Een projectplan is geen neutraal document. Het is de uitvoering van een conceptnota. En precies over die conceptnota, het vertrekpunt van het beleid, heeft het M HKA fundamentele vragen.
De kern van ons bezwaar is eenvoudig, maar niet klein: de conceptnota vertrekt van een visie waarin het M HKA zijn museumstatuut verliest en wordt herleid tot een kunstencentrum. Met die visie zijn wij het fundamenteel oneens.
In de beleidsnota lijkt daarbij een tegenstelling te worden geschetst tussen het ‘museum’ als statisch en erfgoedgericht, en het ‘kunstencentrum’ als dynamisch en toekomstgericht. Alsof het museum de plek is waar dingen stilstaan, en het kunstencentrum de plek waar het bruist. Maar die tegenstelling is niet alleen achterhaald, ze klopt ook niet met wat hedendaagse musea vandaag zijn. Hedendaagse musea zijn geen mausolea. Ze zijn plekken waar erfgoed niet wordt bevroren, maar geactiveerd. Waar collecties geen eindpunt vormen, maar het begin van nieuwe vragen, nieuwe verbanden en nieuwe vormen van publiekswerking. Wie het M HKA de voorbije jaren heeft gevolgd, weet dat dit geen theorie is. Dat is de realiteit van het huis.
Net daarom wringt het zo hard wanneer men het museumstatuut behandelt als iets wat je naar believen kan verdunnen: een beetje museum, zolang het maar binnen de voorwaarden past; een beetje collectie, zolang het niet te zwaar wordt; een beetje geschiedenis, zolang het vooral in het voordeel van de toekomst werkt.
Een museum is geen optelsom van losse functies. Je kan niet beslissen dat een instelling nog wel wat museale taken mag uitvoeren, terwijl het statuut zelf wordt uitgehold. Zoals recent scherp werd verwoord door Johan Vansteenkiste, kunsthistoricus:
“Het museum en zijn collectie zijn een eenheid, onlosmakelijk met elkaar verbonden. De collectie vormt de kern van een museum, is ermee vergroeid en beide versterken elkaar. De collectie vertelt het particuliere verhaal van een museum. Het museum geeft context en betekenis aan een collectie. De collectie is de ziel en de reden van bestaan van het museum.”
Daarom volstaat het voor ons niet dat het M HKA één of meerdere museale functies kan blijven opnemen, zoals recent werd gesuggereerd door Vlaams minister Caroline Gennez tijdens de Commissie Cultuur (8.1.2025). Dat is geen oplossing, maar een schijncompromis. Het wekt de indruk dat men tegemoetkomt aan het instituut en de sector, terwijl men in werkelijkheid datgene ondermijnt wat een museum tot museum maakt. Hoe ongemakkelijk dat ook klinkt: het is de sector blij maken met een dode mus.
Laat mij daar meteen iets aan toevoegen, omdat het belangrijk is. Wij pleiten niet voor behoud omwille van behoud. Dit is geen reflex van angst voor verandering. Integendeel: wij willen behoud omwille van vernieuwing. Juist omdat we geloven dat musea vandaag niet alleen bewaarplaatsen zijn, maar actieve spelers in de samenleving.
Het M HKA wil daarbij een voorbeeldinstelling zijn die het nieuwe Vlaamse museumbegrip belichaamt: stevig verankerd in erfgoed, maar tegelijk open, samenwerkend en maatschappelijk betrokken. Een museum waar zorg, kennis en creatie samenkomen. Niet als modewoord, maar als dagelijkse praktijk. Waar kunstenaars, onderzoekers en publiek elkaar ontmoeten. Waar de collectie geen last is, maar een verantwoordelijkheid. En waar die verantwoordelijkheid ook een zekere moed vergt: durven kiezen voor langetermijnwerk. Daar wordt soms te licht over gedaan, alsof ‘internationaal’ vooral een etiket is. Maar in de hedendaagse kunst is internationale legitimiteit geen decorstuk: ze is opgebouwd uit vertrouwen, uit relaties, uit consistentie. Een museum is herkenbaar omdat het een verhaal draagt. En dat verhaal is onlosmakelijk verbonden met de collectie en de plek waar die collectie betekenis krijgt.
Kunsthistoricus Chris Dercon, directeur van de Fondation Cartier in Parijs, waarschuwt terecht voor de gevolgen van het loskoppelen van collecties van hun institutionele context:
“Je kan een collectie niet zomaar overhevelen van de ene stad naar de andere. De collectie verliest dan aan identiteit en verhaal. Net die elementen garanderen de meerwaarde van een collectie. Zulke ingrepen bewijzen bovendien een slechte dienst aan onze openbare musea, omdat schenkers hun vertrouwen verliezen. Terwijl die schenkingen net onze publieke musea een toekomst geven.” (in Pompidou, Klara, 7.1.2026)
Wat in dit debat soms onderbelicht blijft, is dat het museumstatuut niet alleen gaat over het verleden, maar ook over het publiek van morgen. Een volwaardig museum van hedendaagse kunst is een beginpunt: een plek waar nieuwe generaties hun eerste, beslissende ontmoeting met hedendaagse kunst hebben. Dat engagement ontstaat niet vanzelf. Het vraagt tijd. En nabijheid, fysiek en mentaal: een museum dat aanwezig blijft in de leefwereld van jongeren, dat toegankelijk en aanspreekbaar is, dat uitnodigt om binnen te stappen zonder voorafgaande kennis.
Mathieu Pauwels, voorzitter en aanjager van de verjonging van de vriendenwerking van het M HKA, verwoordde het zo:
“Voor veel jongeren is hedendaagse kunst niet vanzelfsprekend aanwezig in opvoeding of onderwijs. Het M HKA is voor velen een laagdrempelige eerste ontmoeting. Er is geen voorkennis vereist, alleen nieuwsgierigheid. Het M HKA is in die zin relevant voor jongeren omdat het hen niet alleen kunst toont, maar hen leert kijken, denken en zich verhouden tot de wereld van vandaag. Voor mij was mijn eerste bezoek aan het M HKA als jongvolwassene een aha-moment: hier gebeurt iets wat je elders niet ziet.”
De overheid heeft uiteraard het recht om het veld te hertekenen. Dat is haar verantwoordelijkheid, zeker wanneer ze middelen verdeelt en beleidsprioriteiten uitzet. Maar ook dat recht kent grenzen. Ann Demeester, directeur van het Kunsthaus Zürich, formuleert het scherp:
“De overheid heeft het recht om het veld te herschikken, maar kan er niet van uitgaan dat de betrokken actoren meewerken aan de langzame implosie van hun eigen instituties of spontaan harakiri plegen.”
Het is essentieel om te begrijpen dat dit debat niet alleen over het M HKA gaat. Het gaat ook over de plaats van Antwerpen in de geschiedenis en toekomst van hedendaagse kunst. Antwerpen schreef en schrijft mee aan dat verhaal. Niet als decor, maar als motor. Met kunstenaarsgroepen en initiatieven, met instellingen, met academies en een universiteit die internationaal meetelt. En met een gemeenschap van kunstenaars en kunstliefhebbers die een volwaardig museum voor hedendaagse kunst niet als luxe ziet, maar als noodzakelijkheid.
Ernest Van Buynder, erevoorzitter van het M HKA en voorzitter van de Raad van Advies Kunst op de Campus van de Universiteit Antwerpen, vatte die realiteit recent krachtig samen:
“Het M HKA moet zijn museale functies behouden. Antwerpen schreef en schrijft geschiedenis in de hedendaagse kunst, met kunstenaarsgroepen als G58 Hessenhuis en de Nieuwe Vlaamse School, de Vrije Actie Groep Antwerpen (V.A.G.A.), instellingen als het Internationaal Cultureel Centrum (ICC), een dynamisch galeriewezen, mecenaat, een reeks complementaire musea, twee kunstacademies op masterniveau, de Universiteit Antwerpen met een unieke collectie, en een brede gemeenschap van kunstenaars en kunstliefhebbers die een volwaardig museum voor hedendaagse kunst broodnodig hebben.”
Ook vanuit historisch perspectief klinkt bezorgdheid. Zo stelde curator Marianne Hoet recent in de Vlaamse pers:
“Ik denk niet dat mijn vader, Jan Hoet, zou triomferen omdat het S.M.A.K., dat hij heeft opgericht, het leidende museum voor hedendaagse kunst wordt en het M HKA zijn museale functie verliest.”
Wat hier op het spel staat, is geen institutioneel prestigeconflict. Het gaat niet om rivaliteit, en ook niet om een valse tegenstelling tussen steden. Wat hier op het spel staat, is een fundamentele verarming van het Vlaamse beeldende kunstenlandschap wanneer een volwaardig museum voor hedendaagse kunst wordt uitgehold.
Goedele Bartolomeeussen, directeur van het Museum Dhondt-Dhaenens, vat het onderscheid helder samen:
“Het verschil tussen een museum en een kunsthal is dat tussen een boek en een tijdschrift. Beide zijn waardevol, maar alleen het boek draagt een doorlopend verhaal, geheugen en samenhang. Door de collectie los te koppelen van haar plek verliest Antwerpen niet alleen een instelling, maar ook een horizon voor kunstenaars die hier leven en werken.”
Wat mij vandaag extra zorgen baart, is dat de conceptnota, nog voor er breed overleg is geweest, al tastbare schade heeft aangericht. Wantrouwen en onzekerheid sluipen het veld binnen. Internationale partners stellen vragen. Kunstenaars en medewerkers voelen zich in het ongewisse. En dat staat haaks op de ambitie van de hertekening, die net meer samenhang, duidelijkheid en vertrouwen wil creëren.
Daarom vraag ik, namens het bestuursorgaan van het M HKA, de Art Circle van het M HKA en de Vrienden van het M HKA, expliciet om het gesprek te voeren waar het moet worden gevoerd: over een vernieuwde werking van het museum van hedendaagse kunst in Antwerpen, waar erfgoed en kunsten elkaar versterken, over de langetermijnsvisie die daaraan ten grondslag ligt, over het belang van een museum als lokaal en internationaal netwerk.
Wij zijn, zoals altijd, bereid dat gesprek constructief en in dialoog aan te gaan. Maar één punt kan geen onderwerp van onderhandeling zijn: een museum kan geen halve identiteit hebben. Zonder volwaardig museumstatuut is er geen institutionele duidelijkheid, geen internationale legitimiteit en geen duurzaam toekomstperspectief. Niet voor het M HKA, en niet voor het Vlaamse beeldende kunstenbeleid als geheel.